Terug
Gepubliceerd op 24/04/2026

Besluit  Gemeenteraad

di 14/04/2026 - 19:30

Aanpassing bijzondere politieverordening betreffende de gemeentelijke administratieve sancties voor de overtredingen bedoeld in artikel 3, 3° van de wet van 24 juni 2013 betreffende de gemeentelijke administratieve sancties: Goedkeuring.

Aanwezig: Jeremie Vaneeckhout, Voorzitter
Pauline Van Marcke, Burgemeester
Louis Degroote, Gino Devogelaere, Kris De Meulemeester, Petra Devos, Davy Demets, Schepenen
Eddy Recour, Amandine Eeckhaut, Nicolas Duquesnoy, Koen Tack, Davy Dewaele, Rino Himpe, Sofie Demurie, Els Gevaert, Roel Couckuyt, Joy Vanmaercke, Leendert Van Hulle, Philippe Desmet, Bram Vanhoutte, Jens Vancauwenberghe, Marie-Rose D'huyvetter, Raadsleden
Pauline Everaert, Waarnemend algemeen directeur
Verontschuldigd: Yannick Ducatteeuw, Ine Demeulemeester, Martijn De Maesschalck, Raadsleden
Sonja Nuyttens, Algemeen directeur
Feitelijke en juridische overwegingen

Op 13 december 2016 werd door de gemeenteraad de bijzondere politieverordening betreffende de gemeentelijke administratieve sancties voor de overtredingen betreffende het stilstaan en parkeren en voor de overtredingen betreffende de verkeersborden C3 en F103, vastgesteld met automatisch werkende toestellen, goedgekeurdDeze verordening werd aangepast door de gemeenteraad in zitting van 24 mei 2024 naar bijzondere politieverordening betreffende gemeentelijke sancties voor de overtredingen betreffende het stilstaan en parkeren en voor de overtredingen betreffende de verkeersborden C3, F103 en F111. Hierna genoemd BPV (Bijzondere PolitieVerordening). De bedoeling is om deze BPV te wijzigen en aan te passen aan de gewijzigde GAS-wet eind 2023 en het daaraan gekoppelde koninklijk besluit van 9 maart 2014 betreffende GAS voor parkeren en stilstaan. Daarnaast worden ook nog een aantal wijzigingen opgenomen om de tekst te actualiseren en de conformeren aan andere, hogere wetgeving. 

Middels de wet van 11 december 2023 tot wijziging van de wet van 24 juni 2013 betreffende de gemeentelijke administratieve sanctie (de GAS-wet) werd aan de lokale besturen - onder andere - de mogelijkheid geboden om ten vroegste vanaf 8 januari 2024 zelf in te staan voor de handhaving van het inhaalverbod dat geldt binnen de fietszones (te weten : de voormalige "fietsstraten", aangeduid middels het verkeersbord "F111") op hun grondgebied, op voorwaarde dat voorafgaandelijk het akkoord van het Parket bekomen werd in de vorm van een aanpassing van het Protocolakkoord en de Bijzondere Politieverordening inzake GAS 4 (de BPV) in die zin aangevuld werd.

Echter kunnen GAS 4-inbreuken maar gesanctioneerd worden, nadat een Koninklijk besluit zulks uitdrukkelijk stipuleert en er een welbepaald boetebedrag aan vastknoopt. Daar wrong tot voor kort het schoentje: op 9 maart 2014 werd voor het eerst een Koninklijk besluit uitgevaardigd om de eerste generatie GAS 4-inbreuken van een concreet boetebedrag te voorzien en thans diende de oplijsting der inbreuken die in art. 2 van dit Koninklijk besluit uitgewerkt werd, in aansluiting op de gezegde wetswijziging van 11 december 2023, aangevuld te worden met de "inbreuk op het verkeersbord F111 voor wat betreft het inhaalverbod". Tot zolang zou de sanctionerend ambtenaar, op grond van de GAS-wet, wel de bevoegdheid hebben om kennis te nemen van vaststellingsverslagen inzake inbreuken op het inhaalverbod in fietszones en deze te beoordelen, doch zou hij vervolgens niet kunnen overgaan tot een effectieve sanctionering ervan.

Deze noodzakelijke aanvulling van het Koninklijk besluit van 9 maart 2014 is uiteindelijk pas doorgevoerd bij Koninklijk besluit van 14 januari 2026 tot wijziging van het koninklijk besluit van 9 maart 2014 betreffende de gemeentelijke administratieve sancties voor de overtredingen betreffende het stilstaan en het parkeren en voor de overtredingen betreffende de verkeersborden C3 en F103, vastgesteld met automatisch werkende toestellen (gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op 23 januari 2026 - inwerkingtreding vanaf 1 maart 2026) (hierna "het KB van 14.01.2026" genoemd). Onderhavige nota strekt er in eerste instantie dan ook toe om deze sanctiemogelijk ook effectief op te nemen in de BPV door het reeds in 2024 "pro forma" ontwikkelde art. 24bis te incorporeren in de tekst van art. 29 van diezelfde verordening. Hierdoor verliest art. 24bis overigens zijn "pro forma" karakter en kan de destijds voorziene voetnoot geschrapt worden.

Tevens voorziet het KB van 14.01.2026 nog in een aantal kleine tekstuele aanpassingen, teneinde opnieuw in overeenstemming te zijn met enkele recente wijzigingen van het Koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en het gebruik van de openbare weg (de Wegcode). Vermits de tekst van lokale verordeningen en reglementen steeds een exacte kopie dient te zijn van die van de hogere regelgeving, strekt onderhavige nota er bovendien toe om dezelfde aanpassingen door te voeren doorheen de ganse tekst van de BPV.

De vraag zou kunnen rijzen waarom deze wijzigingen van de Wegcode nog niet werden doorgevoerd in de BPV, nu de Wegcode hogere regelgeving betreft? Het antwoord is negatief, vermits de Wegcode een uitvoeringsbesluit van de Wegverkeerswet - en niet van de GAS-wet - betreft. Bovendien wordt opnieuw verwezen naar art. 4, §4 van de GAS-wet dat uitdrukkelijk stipuleert dat een apart Koninklijk besluit eerst de door art. 3, 3° van de GAS-wet vernoemde inbreuken moet overnemen uit de Wegcode, om ze vervolgens - naar gewichtigheid voor de openbare orde en verkeersveiligheid - onder te verdelen in categorieën. Dit impliceert dat de omschrijvingen uit het Koninklijk besluit van 9 maart 2014 gelden als enige officiële bron voor de in de BPV gebruikte beschrijvingen, ook al zijn deze - weliswaar in normale omstandigheden - identiek aan die van de Wegcode. Het was bijgevolg opnieuw een kwestie van wachten tot wanneer het nieuwe, aangepaste Koninklijk besluit uitgevaardigd zou worden. 

Motivering van belangrijkste inhoudelijke wijzigingen:

  • de naam van de BPV wordt in overeenstemming gebracht met het gewijzigde opschrift van het Koninklijk besluit van 9 maart 2014 en zal bijgevolg voortaan als volgt luiden :"Bijzondere politieverordening betreffende de gemeentelijke administratieve sancties voor de overtredingen bedoeld in artikel 3, 3° van de wet van 24 juni 2013 betreffende de gemeentelijke administratieve sancties.

  • Door uitdrukkelijk met een datum te verwijzen naar de meest recente wijziging van de GAS-wet, dwingt men zichzelf tot een nieuwe BPV-herziening, telkens wanneer de GAS-wet in de toekomst zal aangepast worden. De zinsnede waarvan thans de schrapping en aansluitende vervanging wordt gevraagd is bijgevolg correct, maar is niet optimaal. Door meer algemeen te verwijzen naar "met latere wijzigingen" zullen alle toekomstige wetswijzigingen meteen gedekt zijn.

  • Art. 22ter.1., 3° van de Wegcode, dat mede de basis vormde voor de inhoud van art. 6 van de BPV, werd recent verplaatst naar art. 24, 11° van de Wegcode, dat op zijn beurt mede de basis vormt voor art. 13, 7° van de BPV. In die zin is onderhavig punt onlosmakelijk verbonden met punt 8. onder de titel "Argumentatie" van deze nota. De opheffing van art. 22ter.1, 3° van de Wegcode werd overgenomen in art. 2, 2° van het KB van 14.01.2026. Artikel 6 van de BPV wordt dan ook opgeheven

  • Overname van art. 2, 3° van het KB van 14.01.2026 (-> art. 23.1., 2° van de Wegcode). Art.9 van de BPV wordt dan ook in die zin aangepast. 

  • Overname van art. 2, 4° van het KB van 14.01.2026 (-> art. 23.3 van de Wegcode). Art.11 van de BPV wordt dan ook in die zin aangepast.

  • Overname van art. 2, 5° van het KB van 14.01.2026 (-> art. 23.4 van de Wegcode). Art.12 van de BPV wordt dan ook in die zin aangepast

  • Overname van art. 2, 6° van het KB van 14.01.2026 (-> art. 24, eerste lid, 2°, 4° en 7° tot en met 11° van de Wegcode). Onder het nieuwe nr. 7° van art.13 wordt - weliswaar is andere bewoordingen - het voormalige art. 6 van de BPV opgenomen

  • Overname van art. 2, 7°, tweede streepje van het KB van 14.01.2026 (-> art. 25.1, 1° tot en met  3°, 5° en 8° tot en met 13° van de Wegcode). Art.14 van de BPV wordt dan ook in die zin aangepast.

  • Overname van art. 2, 8° van het KB van 14.01.2026 (-> art. 77,5 eerste lid van de Wegcode). Art.21 van de BPV wordt dan ook in die zin aangepast. 

  • Overname van art. 2, 10° van het KB van 14.01.2026 (-> art. 71.2 van de Wegcode).  Ondanks het gebrek aan analoge aanpassing van art. 2 van het Koninklijk besluit van 9 maart 2014, werd er in 2024 bewust voor gekozen om art. 24bis toch reeds op te nemen in de BPV. De reden hiervoor was eenvoudig: het Protocolakkoord, waarvan reeds sprake. onder de titel "Aanleiding en context" van onderhavige nota, dient steeds als één geheel met de BPV gepubliceerd te worden (zie art. 23, §1, zesde lid van de GAS-wet). Welnu, naar aanleiding van de aanpassing van dit Protocolakkoord, voorzag het parket van West-Vlaanderen reeds in de uithandengeving van de handhavingsbevoegdheid inzake het inhaalverbod in fietszones ten gunste van de lokale besturen. Door de verankering van deze handhavingsbevoegdheid in de BPV uit te stellen, dreigde er een tegenstrijdigheid te ontstaan tussen enerzijds de inhoud van de BPV en anderzijds die van het Protocolakkoord. Het spreekt voor zich dat zulks niet bevorderlijk zou zijn voor de rechtszekerheid en -duidelijkheid naar de burger toe. In een eerste fase werd het Parket gevraagd om de verankering van het verkeersbord "F111" in het Protocolakkoord uit te stellen. Dit stootte evenwel op tegenstand bij het Parket, dat - hoewel een Protocolakkoord te beschouwen is als een overeenkomst - autonoom beslist over de inhoud ervan. Meer nog, het Parket toonde zich niet bereidwillig om de lokale besturen te "depanneren" gedurende de periode waarin de sanctioneringsbevoegdheid van de sanctionerend ambtenaar onbestaande was (cfr. tekstblok 2. onder de titel "Aanleiding en context" van onderhavige nota), teneinde straffeloosheid uit de wereld te helpen/houden. Hierdoor bleef nog maar één mogelijkheid over om het inhoudelijke geheel coherent te houden voor de burger, met name de opname van een nieuw - weliswaar pro forma - art. 24bis, met toevoeging van een principe van uitgestelde inwerkingtreding, zowel in een aparte voetnoot, als in art. 37 van de BPV dat de inwerkingtreding van de BPV zelf behandelt. Op deze wijze bleef de deur overigens eveneens op een kier voor een eventuele strafrechtelijke vervolging door het Parket. Dankzij de uitvaardiging van art. 2, 10° van het KB van 14.01.2026 kan de stad de inbreuken op het inhaalverbod in fietszones vanaf nu, zonder enig verder voorbehoud, zelf sanctioneren en kunnen alle pro forma formules bijgevolg geschrapt worden. Tot slot wordt nog meegegeven dat de uitsluiting der snelheidsinbreuken louter van technische aard is, nu de sanctionerend ambtenaar weldegelijk bevoegd is voor de handhaving en sanctionering ter zake. De snelheidsinbreuken worden evenwel behandeld in het kader van GAS 5, waarvoor een aparte Bijzondere Politieverordening van toepassing is (zie "Bijzondere politieverordening van 11 september 2023 betreffende gemeentelijke administratieve sancties voor beperkte snelheidsovertredingen", laatst gewijzigd op 9 september 2024). Art.24bis van de BPV wordt dan ook in die zin aangepast.

  • Aanpassing artikel 29 en 30: Op grond van art. 2, 10° van het KB van 14.01.2026 - en met toepassing van art. 4, §4, tweede lid van de GAS-wet - worden inbreuken op het inhaalverbod in fietszones toegevoegd aan de bestaande inbreukenlijst in artikel 2, §1 van het Koninklijk besluit van 9 maart 2014. Dit maakt dat zij te beschouwen zijn als inbreuken van de eerste categorie, waarvoor een vast boetebedrag van 58 euro kan opgelegd worden. Deze langverwachte federale interventie laat de gemeente eindelijk toe om de door art. 29 van de BPV geviseerde groep der eerste-categorie-inbreuken rechtsgeldig te verruimen tot de inbreuken op het inhaalverbod in fietszones, zoals bedoeld in art. 24bis van de BPV.

  • Opheffing artikel 36: Er wordt niet ingezien waarom een aparte reglementsbepaling zou moeten voorzien worden, waarin uitsluitend bevestigd wordt dat het lokale bestuur alle verplichtingen in het kader van een deugdelijke bekendmaking van haar verordening - haar opgelegd krachtens art. 286 van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur - nageleefd heeft.

  • Opheffing artikel 39 en 39: de inhoud van artikel 38 spreekt voor zich, zodat de opname ervan in de BPV geen enkele meerwaarde heeft. Er wordt evenmin ingezien waarom een aparte reglementsbepaling zou moeten voorzien worden, waarin uitsluitend bevestigd wordt dat het lokale bestuur alle verplichtingen in het kader van een deugdelijke kennisgeving van haar verordening aan de 1) materieel en territoriaal bevoegde rechtbank en 2) de toezichthoudende overheid - haar opgelegd krachtens de artikelen 40, respectievelijk 326 en volgende van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur - nageleefd heeft.

In bijlage bij onderhavige nota kan als een ontwerp van de aangepast BPV zonder tekstuele aanduidingen, teruggevonden worden. 

Regelgeving

De nieuwe gemeentewet, meer bepaald artikel 119, 119 bis en 135;

De wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer (ook "de Wegverkeerswet" genoemd");

De wet van 24 juni 2013 betreffende de gemeentelijke administratieve sanctie en latere wijzigingen (ook "de GAS-wet genoemd");

Het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en het gebruik van de openbare weg (ook "de Wegcode" genoemd);

Koninklijk besluit van 9 maart 2014 betreffende de gemeentelijke administratieve sancties voor de overtredingen bedoeld in artikel 3, 3° van de wet van 24 juni 2013 betreffende de gemeentelijke administratieve sancties, laatst gewijzigd bij Koninklijk besluit van 14 januari 2026 tot wijziging van het koninklijk besluit van 9 maart 2014 betreffende de gemeentelijke administratieve sancties voor de overtredingen betreffende het stilstaan en het parkeren en voor de overtredingen betreffende de verkeersborden C3 en F103, vastgesteld met automaisch werkende toestellen;

Het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur en latere wijzigingen.

Vorige beslissingen

De gemeenteraadsbeslissing van 13 december 2016 houdende vaststelling bijzondere politieverordening betreffende de gemeentelijke administratieve sancties voor de overtredingen betreffende het stilstaan en parkeren en voor de overtredingen betreffende de verkeersborden C3 en F103, vastgesteld met automatisch werkende toestellen.

De gemeenteraadsbeslissing van 14 mei 2024 betreffende de goedkeuring van de aanpassing van de bijzondere politieverordening d.d. 13 december 2016 betreffende de gemeentelijke administratieve sancties voor overtredingen betreffende het stilstaan en parkeren en voor de overtredingen betreffende de verkeersborden C3 en F103, vastgesteld met automatisch werkende toestellen

Publieke stemming
Aanwezig: Jeremie Vaneeckhout, Pauline Van Marcke, Louis Degroote, Gino Devogelaere, Kris De Meulemeester, Petra Devos, Davy Demets, Eddy Recour, Amandine Eeckhaut, Nicolas Duquesnoy, Koen Tack, Davy Dewaele, Rino Himpe, Sofie Demurie, Els Gevaert, Roel Couckuyt, Joy Vanmaercke, Leendert Van Hulle, Philippe Desmet, Bram Vanhoutte, Jens Vancauwenberghe, Marie-Rose D'huyvetter, Pauline Everaert
Voorstanders: Jeremie Vaneeckhout, Pauline Van Marcke, Louis Degroote, Gino Devogelaere, Kris De Meulemeester, Petra Devos, Davy Demets, Eddy Recour, Amandine Eeckhaut, Nicolas Duquesnoy, Koen Tack, Davy Dewaele, Rino Himpe, Sofie Demurie, Els Gevaert, Roel Couckuyt, Joy Vanmaercke, Leendert Van Hulle, Philippe Desmet, Bram Vanhoutte, Jens Vancauwenberghe, Marie-Rose D'huyvetter
Resultaat: Goedgekeurd met eenparigheid van stemmen.
Besluit

Art.1: de gemeenteraadsbeslissing van 14 mei 2024 houdende vaststelling bijzondere politieverordening betreffende de gemeentelijke administratieve sancties voor de overtredingen betreffende het stilstaan en parkeren en voor de overtredingen betreffende de verkeersborden C3, F103 en F111, wordt gewijzigd als volgt: (aanpassingen geel gemarkeerd + schrappingen)

Bijzondere politieverordening betreffende gemeentelijke sancties voor de overtredingen bedoeld in artikel 3, 3° van de wet van 24 juni 2013 betreffende de gemeentelijke administratieve sancties betreffende het stilstaan en parkeren en voor de overtredingen betreffende de verkeersborden C3, F103 en F111.

HOOFDSTUK 1. Toepassingsgebied

Afdeling 1. Territoriaal toepassingsgebied

Art. 1

Deze bijzondere politieverordening geeft uitvoering aan artikel 3, 3° van de wet van 24 juni 2013

betreffende de gemeentelijke administratieve sancties, met latere wijzigingen, dat bepaalt dat de gemeenteraad voor de inbreuken opgesomd in het Koninklijk besluit van 9 maart 2014 betreffende de gemeentelijke administratieve sancties voor de overtredingen bedoeld in artikel 3, 3° van de wet van 24 juni 2013 betreffende de gemeentelijke administratieve sancties, met latere wijzigingen.  betreffende het stilstaan en het parkeren en voor de overtredingen betreffende de verkeersborden C3 en F103, vastgesteld met automatisch werkende toestellen, kan voorzien in gemeentelijke administratieve sancties.

Deze bijzondere politieverordening is van toepassing op het grondgebied van de gemeente Anzegem.

Afdeling 2. Personeel toepassingsgebied

Art. 2

Deze bijzondere politieverordening is van toepassing op :

1° meerderjarige natuurlijke personen;

2° rechtspersonen.

HOOFDSTUK 2. Definities

Art. 3

De definities opgenomen in het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg zijn evenzeer van toepassing op onderhavige politieverordening.

HOOFDSTUK 3. Vaststellers

Art. 4

§1. Alle inbreuken op de bepalingen van deze bijzondere politieverordening kunnen worden vastgesteld door:

1° politieambtenaren en agenten van politie;

2° gemeentelijke ambtenaren die voldoen aan de voorwaarden van het K.B. van 21 december 2013 tot vaststelling van de minumumvoorwaarden inzake selectie, aanwerving, opleiding en bevoegdheid van de ambtenaren en personeelsleden die bevoegd zijn tot vaststelling van de inbreuken die aanleiding kunnen geven tot de oplegging van een gemeentelijke administratieve sancties, met latere wijzigingen.

§2. Inbreuken op de artikelen 23, 24 en 24bis van deze Bijzondere Politieverordening kunnen bovendien vastgesteld worden door middel van automatisch werkende toestellen, bedoeld in artikel 62 van de Wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer ("de wegverkeerswet"). Wanneer zij desalniettemin
zonder automatisch werkend toestel worden vastgesteld, dient de bestuurder onmiddellijk geïdentificeerd te worden. Indien het niet mogelijk is om de bestuurder op het ogenblik van de vaststelling te identificeren, gelden de regels betreffende de kentekenaansprakelijkheid, zoals bepaald in artikel 33 van de Wet van 24 juni 2013
betreffende de gemeentelijke administratieve sancties, met latere wijzigingen. zoals gewijzigd door de Wet van 11 december 2023.

§3. Op voorwaarde dat voorafgaandelijk een machtiging werd verkregen van de minister bevoegd voor Binnenlandse zaken, hebben de onder §1, 2° vermelde personen, in het kader van de uitoefening van hun bevoegdheden, toegang tot de volgende persoonsgegevens van de overtreder uit het Rijksregister:
- de identificatiegegevens, meer bepaald de naam, voornamen en geboortedatum van de persoon;
- de hoofdverblijfplaats;
- het rijksregisternummer;
- desgevallend de datum van overlijden
Bovendien hebben de onder §1, 2° vermelde personen, in het kader van de uitoefening van hun bevoegdheden, toegang tot de hiervoor ter zake dienende gegevens van de Kruispuntbank van de voertuigen, op voorwaarde dat voorafgaandelijk een machtiging werd verkregen, zoals bedoeld in artikel 18 van de wet van 19 mei 2010
houdende oprichting van de Kruispuntbank van de voertuigen.


§4. Alle originele vaststellingen van de in deze politieverordening bedoelde inbreuken dienen uiterlijk binnen de twee maanden na de vaststelling overgemaakt te worden aan de sanctionerend ambtenaar.
Gebeurt de vaststelling door de onder §1, 2° vermelde personen, dan hebben deze personen de keuze om gebruik te maken van een gehandtekend gematerialiseerd verslag, dan wel een elektronisch ondertekend gedematerialiseerd verslag. In dit laatste geval volstaat, in afwijking op het eerste lid, de verzending van een digitale kopie van het vaststellingsverslag aan de sanctionerend ambtenaar.

Gebeurt de vaststelling door de onder §1, 1° vermelde personen, dan worden de op basis van deze politieverordening vastgestelde inbreuken opgenomen in een proces-verbaal dat bovendien bewijskracht heeft tot bewijs van het tegendeel, op voorwaarde dat een afschrift ervan binnen een termijn van veertien dagen overgemaakt wordt aan de overtreder. Dit tegenbewijs kan met alle middelen van recht geleverd worden.

HOOFDSTUK 4. Overtredingen van de eerste categorie

Art. 5

Binnen de woonerven en de erven, is het parkeren verboden, behalve :

- Op de plaatsen die afgebakend zijn door wegmarkeringen of door een wegbedekking in een andere kleur en waar de letter “P” aangebracht is;

- Op plaatsen waar een verkeersbord het toelaat

Art. 6

(Opgeheven)

Op de openbare wegen voorzien van verhoogde inrichtingen, die aangekondigd zijn door de verkeersborden A14 en F87, of die op de kruispunten alleen aangekondigd zijn door de verkeersborden A 14, of die gelegen zijn binnen een zone afgebakend door de verkeersborden F4a en F4b, is stilstaan en parkeren verboden op deze inrichtingen, behoudens plaatselijke reglementering.

              A14                       F87                     F4a                          F4b

 

   

Art. 7

In voetgangerszones is het parkeren verboden.

Art. 8

Elk stilstaand of geparkeerd voertuig moet worden opgesteld rechts ten opzichte van zijn rijrichting. Indien het een rijbaan is met éénrichtingsverkeer, mag het evenwel langs de ene of langs de andere kant opgesteld worden.

Art. 9

Elk stilstaand of geparkeerd voertuig moet worden opgesteld :

- Buiten de rijbaan op de gelijkgrondse berm of, buiten de bebouwde kommen, op eender welke berm;

- Indien het een berm betreft die de voetgangers moeten volgen, moet langs de buitenkant van de openbare weg een begaanbare strook van ten minste 1,50 meter breed vrijgelaten worden;

- Indien de berm niet breed genoeg is, moet het geparkeerd voertuig gedeeltelijk op de berm en gedeeltelijk op de rijbaan opgesteld worden;

- Indien er geen bruikbare berm is, moet het geparkeerd voertuig op de rijbaan worden opgesteld worden.

- Indien de berm niet breed genoeg is, moet het stilstaand voertuig opgesteld worden gedeeltelijk op de berm en gedeeltelijk op:

  • de zijdelingse strook
  • de rijbaan indien er geen zijdelingse strook is.

- Indien er geen bruikbare berm is, moet het stilstaand voertuig opgesteld worden op:

  • de zijdelingse strook of;
  • de rijbaan indien er geen zijdelingse strook is. 

Art. 10

Elk voertuig dat volledig of ten dele op de rijbaan opgesteld is, moet geplaatst worden:

1° zover mogelijk van de aslijn van de rijbaan;

2° evenwijdig met de rand van de rijbaan, behoudens bijzondere plaatsaanleg;

3° in één enkele file.

Motorfietsen zonder zijspan of aanhangwagen mogen evenwel haaks op de rand van de rijbaan parkeren voor zover zij daarbij de aangeduide parkeermarkering niet overschrijden.

Art. 11

Fietsen, voortbewegingstoestellen en tweewielige bromfietsen moeten buiten de rijbaan en de parkeerstroken zones bedoeld in artikel 75.2 van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg,  opgesteld worden zonder het verkeer van de andere weggebruikers te hinderen of onveilig te maken, behalve op de plaatsen gesignaleerd zoals voorzien in de artikelen 70.2.1, ., .f en 77.5, tweede lid van voormeld het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg. De voortbewegingstoestellen die bestemd zijn voor personen met een verminderde mobiliteit mogen altijd buiten de rijbaan en die parkeerstroken opgesteld worden. 

Art. 12

Motorfietsen mogen buiten de rijbaan en de parkeerstroken zones bedoeld in artikel 75.2 van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer van het gebruik van de openbare weg, opgesteld worden zonder het verkeer van de andere weggebruikers te hinderen of onveilig te maken.

Art. 13

Het is verboden een voertuig te laten stilstaan of te parkeren op elke plaats waar het duidelijk een gevaar zou kunnen betekenen voor de andere weggebruikers of waar het hun onnodig zou kunnen hinderen, inzonderheid :

1° op 3 meter of meer doch op minder dan 5 meter van de plaats waar de fietsers en bestuurders van

tweewielige bromfietsen verplicht zijn het fietspad te verlaten om op de rijbaan te rijden of de rijbaan

te verlaten om op het fietspad te rijden;

2° op de rijbaan op 3 meter of meer doch op minder dan 5 meter voor de oversteekplaatsen voor

voetgangers en de oversteekplaatsen voor fietsers en bestuurders van tweewielige bromfietsen;

3° in de nabijheid van de kruispunten, op minder dan 5 meter van de verlenging van de naastbijgelegen rand van de dwarsrijbaan, behoudens plaatselijke reglementering;

4° op minder dan 20 meter voor de verkeerslichten op de kruispunten, behoudens plaatselijke

reglementering;

5° op minder dan 20 meter voor de verkeerslichten buiten de kruispunten behalve voor voertuigen

waarvan de hoogte, lading inbegrepen, niet meer dan 1,65 m bedraagt, wanneer de onderkant van die

verkeerslichten zich ten minste 2 meter boven de rijbaan bevindt;

6° pp minder dan 20 meter voor de verkeersborden behalve voor voertuigen waarvan de hoogte, lading inbegrepen, niet meer dan 1,65 m bedraagt, wanneer de onderkant van die verkeersborden zich ten minste 2 meter boven de rijbaan bevindt.

7° op de verhoogde inrichtingen, behoudens plaatselijke reglementering. 

Art. 14

Het is verboden een voertuig te parkeren:

1° op minder dan 1 meter zowel voor als achter een ander stilstaand of geparkeerd voertuig en op elke plaats waar het voertuig het instappen in of het wegrijden van een ander voertuig zou verhinderen;

2° op minder dan 15 meter aan weerszijden van een bord dat een autobus-, trolleybus- of tramhalte aanwijst;

3° voor de inrij van eigendommen, behalve de voertuigen waarvan het inschrijvingsteken leesbaar op die inrij is aangebracht;

4° op elke plaats waar het voertuig de toegang tot buiten de rijbaan aangelegde parkeerplaatsen zou verhinderen;

5° buiten de bebouwde kommen op de rijbaan van een openbare weg waarop het verkeersbord B9 is aangebracht;

 

 

 B9

 

6° op de rijbaan wanneer deze verdeeld is in rijstroken, behalve op de plaatsen waar het verkeersbord E9a of E9b is aangebracht;

E9a E9b

7° op de rijbaan langs de gele onderbroken streep, bedoeld in artikel 75.1.2° van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg;

8° op rijbanen met tweerichtingsverkeer tegenover een ander stilstaand of geparkeerd voertuig, wanneer twee andere voertuigen daardoor elkaar moeilijk zouden kunnen kruisen;

9° op de middelste rijbaan van een openbare weg met drie rijbanen;

10° buiten de bebouwde kommen, langs de linkerkant van een rijbaan van een openbare weg met twee rijbanen of op de middenberm die deze rijbanen scheidt;

11° op de zijdelingse stroken bedoeld in artikel 75.3 van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg.

Art. 15

Het is verboden onjuiste aanduidingen op de schijf te laten verschijnen. De aanduidingen van de schijf mogen niet gewijzigd worden voordat het voertuig de parkeerplaats verlaten heeft.

Art. 16

Het is verboden op de openbare weg motorvoertuigen die niet meer kunnen rijden en aanhangwagens langer dan vierentwintig uur na elkaar te parkeren.

Binnen de bebouwde kommen is het verboden op de openbare weg auto’s, slepen en aanhangwagens met een maximale toegelaten massa van meer dan 7,5 ton langer dan acht uur na elkaar te parkeren, behalve op de plaatsen waar het verkeersbord E9a, E9c of E9d is aangebracht.

E9aE9cE9d

Het is verboden op de openbare weg reclamevoertuigen langer dan drie uur na elkaar te parkeren.

Art. 17

Het niet hebben aangebracht van de speciale kaart bedoeld in artikel 27.4.3 van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg of het door artikel 27.4.1 van hetzelfde besluit hiermee gelijkgesteld document op de binnenkant van de voorruit of, als er geen voorruit is, op het voorste gedeelte van het op een voorbehouden parkeerplaats voor personen met een handicap geparkeerde voertuig.

Art. 18

Verkeersborden E1, E3, E5, E7 en van type E9 betreffende het stilstaan en parkeren niet in acht nemen.

E1E3E5E7

 

 

E9aE9bE9cE9d

Art. 19

Het verkeersbord E11 niet in acht nemen.

 

 E11


Art. 20

Het stilstaan of parkeren is verboden op markeringen van verkeersgeleiders en verdrijvingsvlakken.

Art. 21

Het niet respecteren van de stilstaan of parkeren is verboden op witte markeringen die de plaatsen afbakenen waar de voertuigen moeten staan, bedoeld in artikel 77.5 van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg die de plaatsen afbakenen waar de voertuigen moeten staan.

Art. 22

Het stilstaan of parkeren is verboden op de dambordmarkering die bestaat uit witte vierkanten die op de grond zijn aangebracht.

Art. 23

Het niet in acht nemen van het verkeersbord C3.

 

 C3

Art. 24

Het niet in acht nemen van het verkeersbord F103.

F103

Art.24bis

Het niet in acht nemen van het verkeersbord F111, behalve wat de snelheidsbeperking betreft

  F111

Ingevoegd bij gemeenteraadsbeslissing dd. 14 mei 2024 (inwerkingtreding van zodra de toekomstige aanvulling van artikel 2 van het Koninklijk besluit van 9 maart 2014 "betreffende de gemeentelijke administratieve sancties voor de overtredingen betreffende het stilstaan en het parkeren en voor de overtredingen betreffende de verkeersborden C3 en F103, vastgesteld met automatisch werkende toestellen" met deze inbreuk zelf in werking zal getreden zijn)

HOOFDSTUK 5. Overtredingen van de tweede categorie

Art. 25

Het is verboden een voertuig te laten stilstaan of parkeren op autowegen, behalve op de parkeerstroken, aangewezen door het verkeersbord E9a.

 E9a

Art. 26

Het is verboden een voertuig te laten stilstaan of te parkeren op elke plaats waar het duidelijk een gevaar zou kunnen betekenen voor de andere weggebruikers of waar het hun onnodig zou kunnen hinderen, inzonderheid :

1° Op de trottoirs en binnen de bebouwde kommen, op de verhoogde bermen, behoudens plaatselijke reglementering;

2° Op de fietspaden en op minder dan 3 meter van de plaats waar de fietsers en bestuurders van tweewielige bromfietsen verplicht zijn het fietspad te verlaten om op de rijbaan te rijden of de rijbaan te verlaten om op het fietspad te rijden;

3° Op de oversteekplaatsen voor voetgangers, op de oversteekplaatsen voor fietsers en bestuurders van tweewielige bromfietsen en op de rijbaan op minder dan 3 meter voor deze oversteekplaatsen;

4° Op de rijbaan in de onderbruggingen, in de tunnels en behoudens plaatselijke reglementering onder de bruggen;

5° Op de rijbaan nabij de top van een helling en in een bocht wanneer de zichtbaarheid onvoldoende is.

Art. 27

Het is verboden een voertuig te parkeren :

1° Op de plaatsen waar de voetgangers en de fietsers en bestuurders van tweewielige bromfietsen op de rijbaan moeten komen om omheen een hindernis te gaan of te rijden;

2° Op de plaatsen waar de doorgang van spoorvoertuigen zou belemmerd worden;

3° Wanneer de vrije doorgang op de rijbaan minder dan 3 meter breed zou worden.

Art. 28

(opgeheven)

HOOFDSTUK 6. Strafbepalingen

Art. 29

De inbreuken op de artikelen 5 tot en met 24bis worden gesanctioneerd met een gemeentelijke administratieve geldboete of een onmiddellijke betaling, zoals bepaald in artikel 2, §1 van het koninklijk besluit betreffende de gemeentelijke administratieve sancties voor de overtredingen bedoeld in artikel 3, 3° van de wet van 24 juni 2013 betreffende de gemeentelijke administratieve sancties, met latere wijzigingen. betreffende het stilstaan en het parkeren en voor de overtredingen betreffende de verkeersborden C3 en F103, vastgesteld met automatisch werkende toestellen.

Art. 30

De inbreuken op de artikelen 25 tot en met 27 28 worden gesanctioneerd met een gemeentelijke administratieve geldboete of een onmiddellijke betaling, zoals bepaald in artikel 2, §2 van het koninklijk besluit betreffende de gemeentelijke administratieve sancties voor de overtredingen bedoeld in artikel 3, 3° van de wet van 24 juni 2013 betreffende de gemeentelijke administratieve sancties, met latere wijzigingen. betreffende het stilstaan en het parkeren en voor de overtredingen betreffende de verkeersborden C3 en F103, vastgesteld met automatisch werkende toestellen.

HOOFDSTUK 7. Procedure

Art. 31

De sanctionerende ambtenaar deelt binnen de vijftien dagen na ontvangst van de vaststelling van de inbreuk, bij gewone zending, aan de overtreder de gegevens mee met betrekking tot de vastgestelde feiten en de begane inbreuk, alsook het bedrag van de administratieve geldboete.

Art. 32

De administratieve boete wordt betaald door de overtreder binnen de dertig dagen na de kennisgeving ervan, tenzij de overtreder binnen deze termijn zijn verweermiddelen bij gewone zending laat geworden aan de sanctionerend ambtenaar. De overtreder kan binnen deze termijn op zijn verzoek gehoord worden wanneer het bedrag van de administratieve geldboete hoger ligt dan 70 euro.

Art. 33

Verklaart de sanctionerend ambtenaar de verweermiddelen niet gegrond, dan brengt hij de overtreder hiervan, binnen de zes maanden te rekenen vanaf de datum van de vaststelling van de inbreuk, op een met redenen omklede wijze bij gewone zending op de hoogte met verwijzing naar de te betalen administratieve geldboete die binnen een nieuwe termijn van dertig dagen na deze kennisgeving moet worden betaald.

Art. 34

Wordt de administratieve geldboete niet betaald binnen de eerste termijn van dertig dagen, dan wordt, behoudens in geval van verweermiddelen, een herinnering verstuurd bij gewone zending met uitnodiging tot betaling binnen een nieuwe termijn van dertig dagen te rekenen vanaf de kennisgeving van die herinnering.

Art. 35

De beslissing van de sanctionerend ambtenaar om een boete op te leggen, kan gedwongen worden uitgevoerd indien de boete niet werd betaald binnen de termijn van dertig dagen na de herinnering, zoals bepaald in artikel 34 van deze verordening, tenzij de overtreder binnen deze termijn een beroep instelt bij de Politierechtbank.

HOOFDSTUK 8. Inwerkingtreding Slotbepalingen

Afdeling 1. Bekendmaking

Art. 36

(Opgeheven)

Deze bijzondere politieverordening wordt bekend gemaakt overeenkomstig artikel 186 van het Gemeentedecreet. Zij zal tevens worden gepubliceerd op de website van de gemeente Anzegem samen met het  verplicht protocolakkoord dat werd afgesloten met de Procureur des Konings van de provincie West-Vlaanderen.

Afdeling 2. Inwerkingtreding

Art. 37

Onderhavige bijzondere politieverordening is in werking getreden op 1 januari 2017, met uitzondering van:

  • artikel 4, §2 t.e.m. §4, de opheffing van artikel 28 en de invoering van de in artikel 33 bepaalde beslissingstermijn, die allen in werking treden op 1 juni 2024.
  • de artikelen 13,7°, 14,11° en 24bis die in werking getreden zijn op 1 mei 2026.
  • artikel 24bis, dat pas in werking zal treden van zodra de toekomstige aanvulling van artikel 2 van het Koninklijk besluit van 9 maart 2014 "betreffende de gemeentelijke administratieve sancties voor de overtredingen betreffende het stilstaan en het parkeren en voor de overtrekingen betreffende de verkeersborden C3 en F103, vastgesteld met automatisch werkende toestellen " met deze inbreuk zélf in werking zal getreden zijn.

Afdeling 3. Overgangsbepalingen

Art. 38

(Opgeheven)

Alle overtredingen m.b.t. die worden vastgesteld na de inwerkingtreding van deze politieverordening worden onderworpen aan de sancties van huidige politieverordening.

Art. 39

(Opgeheven)

Een afschrift van deze politieverordening wordt toegestuurd aan het Provinciebestuur van de Provincie West-Vlaanderen, de Procureur des Konings van West-Vlaanderen, de griffie van de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Kortrijk, de griffie van de politierechtbank van West-Vlaanderen  afdeling Kortrijk, aan de bevoegde sanctionerende ambtenaren, de korpschef van de politiezone Mira en aan de voorzitter van het politiecollege.